Gloudemans Blog - algemeen
28 juni 2019

Te ver verwijderd causaal verband

In een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van
26 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2025) zien we een voorbeeld van te ver verwijderd causaal verband.

Appellant, exploitant van een tankstation heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend in verband met het Tracébesluit A2 en de daaruit voortvloeiende en de daarmee samenhangende besluiten en uitvoeringshandelingen. Als gevolg hiervan zijn de vergunningen verleend aan de eigenaren van het tankstation (Shell) opgezegd. Per datum intrekking heeft Shell de huurovereenkomsten met appellant opgezegd. Vervolgens heeft Shell aan appellant drie aanbiedingen gedaan voor voortzetting van de exploitatie van het tankstation op 40 meter afstand van de vorige locatie. Hier zijn partijen in de onderhandelingen niet uitgekomen. Appellant claimt inkomstenderving als gevolg van de sluiting van het tankstation van ruim 8,6 miljoen euro. Het tankstation op de nieuwe locatie wordt inmiddels door een derde geëxploiteerd. Ter beantwoording ligt de vraag of er sprake is van causaal verband.

 

Een extra schakel in de causaliteitsketen

De Afdeling accepteert in de planschadejurisprudentie het bestaan van een extra schakel in de causaliteitsketen 1). Zo werd er in het verleden causaal verband aangenomen tussen het van toepassing zijn van strengere milieuvoorschriften als gevolg van een nieuwe bestemming van nabijgelegen percelen 2) en de daaruit voortvloeiende kosten. De kosten gemaakt om te voldoen aan de aangescherpte milieuvoorschriften komen voor vergoeding in aanmerking. Er werd tevens verzocht om vergoeding van de kosten gemaakt om te voldoen aan de na de bestemmingswijziging vastgestelde richtlijn. Daarvan zegt de Afdeling dat de kosten die gemaakt moeten worden om te voldoen aan na de bestemmingswijziging aangescherpte milieuvoorschriften niet kunnen worden toegerekend aan de nieuwe bestemming. Indien de omstandigheden die de schade veroorzaken, niet rechtstreeks verband houden met de wijziging van het planologisch regime, kan de schade niet worden toegerekend aan het nieuwe bestemmingsplan.

 

Wel condicio sine qua non, geen causaal verband

In de recente uitspraak van de Afdeling is niet in geschil dat in dit geval een condicio sine qua non-verband kan worden aangenomen tussen het Tracébesluit A2 en de daaruit voortvloeiende en samenhangende besluiten en uitvoeringshandelingen enerzijds en de door het tankstation gestelde schade anderzijds.

Het bestaan van condicio sine qua non is onvoldoende om tot een aanspraak op tegemoetkoming in de gestelde schade te komen. De Afdeling oordeelt dat er wel een verband is tussen het Tracébesluit en de intrekking van de vergunningen en de ontbinding van de exploitatieovereenkomst maar dat de daaruit ontstane schade niet in zodanig verband staat met het Tracébesluit dat deze schade een direct gevolg daarvan is en voor compensatie in aanmerking komt. De schade is het directe gevolg van de beëindiging van de overeenkomst tussen appellant en Shell en de omstandigheid dat appellant niet onder de door haar gewenste voorwaarden een overeenkomst kon aangaan inzake de exploitatie van het nieuwe benzinestation. Daarbij neemt de Afdeling in het bijzonder in aanmerking de aard van de aansprakelijkheid van de minister, de aard van de schade, de aard en strekking van het schadeveroorzakende handelen, alsmede het te ver verwijderde verband tussen het Tracébesluit A2, respectievelijk het intrekkingsbesluit en de gestelde schade.

Het betreft hier aansprakelijkheid op grond van (uiteindelijk) het beginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten. Het verzoek betreft vergoeding van zuivere vermogensschade in de vorm van door een onderneming gederfde winst, terwijl het Tracébesluit A2, alsmede het intrekkingsbesluit kunnen worden aangemerkt als rechtmatig handelen van de minister, welk handelen met het oog op de behartiging van het algemeen belang is verricht. Een extra schakel in de causaliteitsketen in de vorm van een contractuele onderhandeling tussen appellant en de Shell wordt door de Afdeling niet geaccepteerd.

Voor meer informatie neem gerust contact op met Stijn Berns.

1) mr. G.M. van den Broek, Het recht op schadevergoeding bij wijziging van het planologische regime, Bouwrecht monografieën, stichting instituut voor Bouwrecht, Kluwer, Deventer, 2002.
2) ABRS 7 april 1997, BR 1999, 48 m.nt. P.C.E. van Wijmen.

 

Gloudemans voor het land van morgen