13 februari 2026
Grond voor Verbetering: de rol van grond in het landelijk gebied
Vorige week publiceerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, onder leiding van Krijn Poppe, het adviesrapport Grond voor verbetering. Het is belangrijk dat het Rli-advies de rol van grond in de transitie van het landelijk gebied nadrukkelijk onderschrijft. En minstens zo belangrijk: het gezegde “houd je mond over grond” gaat al lang niet meer op. Wie werk wil maken van duurzame keuzes in het landelijk gebied, kan niet om de grondmarkt heen.
De hoofdvraag in het Rli-advies: “Welke rol speelt grond bij het maken van duurzame keuzes in het landelijk gebied en (hoe) kan de overheid hierop sturen?” raakt wat ons betreft een fundamenteel punt. De analyse laat zien hoe stijgende grondprijzen, lage grondmobiliteit en overheidsbeleid elkaar beïnvloeden en daarmee de aanpak van maatschappelijke opgaven bemoeilijken. Dat biedt een waardevolle basis voor het gesprek dat nu nodig is.
In de praktijk herkennen wij veel van de geschetste spanningen rond grond. Tegelijkertijd zien we dat er op verschillende plekken al hard wordt gewerkt aan oplossingen. In gebiedsprocessen worden grondstrategieën steeds vaker vanaf het begin meegenomen, in plaats van als sluitstuk. Daarbij ontstaan perspectieven die niet vertrekken vanuit puur doelstellingen, maar vanuit de kenmerken van het gebied en de mensen die er wonen en werken om perspectief te bieden.
Met drie heldere richtingen biedt het rapport houvast voor het vervolg; vanuit onze praktijkervaring delen wij hierop graag onze gedachten.
Haal prikkels uit belastingregels en subsidies die grondprijzen opdrijven
De constatering dat fiscale regelingen en subsidies kunnen doorwerken in de grondprijs is relevant. In de praktijk zien we dat het herijken van prikkels inderdaad kan bijdragen aan meer beweging op de grondmarkt. Tegelijkertijd vraagt dit om zorgvuldige afwegingen, omdat financiële stabiliteit voor ondernemers ook een voorwaarde is om te kunnen investeren in verduurzaming. Daar komt boven op dat in veel gevallen deze prikkels nodig zijn aangezien geldt “men kan het wel zijn, maar niet worden”.
Geef richting door onderscheid te maken tussen productielandbouw en maatschappelijke landbouw
Het onderscheiden van ontwikkelrichtingen kan helpen om keuzes inzichtelijk en bespreekbaar te maken. Tegelijkertijd is de vraag hoe scherp zo’n onderscheid in de praktijk moet worden aangezet. In Brabant hebben we de afgelopen jaren gezien hoe hiermee wordt omgegaan, bijvoorbeeld via het ruimtelijk ontwikkelperspectief binnen het BPLG en de indeling in Koppen, Flanken en Beekdalen door Waterschap De Dommel. In deze voorbeelden worden verschillen tussen gebieden wel benoemd, maar niet absoluut gemaakt. Belangrijker nog: de kracht zit juist in de onderlinge samenhang en versterking tussen gebieden, in plaats van in een strikte scheiding. Dat principe herkennen we ook uit het landgoederenmodel, waar functies in balans worden gebracht binnen één samenhangend geheel.
Een te harde afbakening kan bovendien onbedoelde neveneffecten hebben. Wanneer gebieden worden bestempeld als ‘hoog agrarisch potentieel’, kan dat leiden tot prijsopdrijving. Die waardestijging is lastig te corrigeren, zeker zolang er geen instrument als planbatenheffing beschikbaar is en het voorkeursrecht beperkt inzetbaar blijft bij gronden met een (beoogd) agrarische functie. Dat vraagt om zorgvuldigheid bij het maken van ruimtelijke onderscheidingen en om aandacht voor de grondmarkt-effecten die daarmee samenhangen.
Grijp actiever in op de grondmarkt om maatschappelijke doelen te bereiken
Het pleidooi om grondinstrumenten actiever in te zetten sluit aan bij wat we in verschillende regio’s zien gebeuren. Vrijwilligheid alleen is bij complexe opgaven vaak niet voldoende. Tegelijkertijd lijkt de kern niet zozeer in ‘verplichting’ te zitten, maar in voorspelbaarheid, duidelijkheid en regie. Grondinstrumenten kunnen helpen om perspectief te bieden, mits ze onderdeel zijn van een samenhangend grondstrategieplan vanuit het gebied waarin ook ruimte is voor maatwerk.
In diverse interbestuurlijke samenwerkingen wordt al gewerkt aan grondstrategieplannen die gebiedsperspectieven vertalen naar uitvoerbare stappen, met aandacht voor beheersing van prijsopdrijving. In het Kromme Rijn Linielandschap wordt hier bijvoorbeeld concreet invulling aan gegeven. Zulke voorbeelden laten zien hoe aanbevelingen uit het Rli-advies in de praktijk verder kunnen worden gebracht, doen wat nu al kan.
Grip op Grond
Eerder schreven wij de blogs “Met grond krijg je de plannen rond” en “Samen de puzzel leggen in het buitengebied”. Daarin betoogden we al dat gebiedsontwikkeling in het landelijk gebied alleen slaagt met meer Grip op Grond. Niet sectoraal, niet ad hoc, maar mede vanuit een doordacht grondstrategieplan dat perspectief biedt en puzzelruimte mogelijk maakt. Het Rli-advies benadrukt maar weer eens dat zonder samenhang tussen fiscale prikkels, subsidies, ruimtelijke ordening en grondinstrumentarium duurzame keuzes moeilijk van de grond komen.
Grip op Grond vraagt om een actiever grondbeleid, interbestuurlijke afstemming en ruimte in de regio om gebiedsgericht te werken. Niet als blauwdruk, maar als gezamenlijke zoektocht in de gebieden naar duurzame keuzes in het landelijk gebied.