Gloudemans Uitspraak - algemeen
8 maart 2023

ABRS – Windturbine en normaal maatschappelijk risico

Appellant is sinds 16 januari 2001 eigenaar van de woning met bijbehorend kantoorpand. Op 19 maart 2019 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade. Er zou sprake zijn van een waardevermindering van de onroerende zaak als gevolg van de inwerkingtreding van het provinciale inpassingsplan. Het inpassingsplan is de planologische grondslag voor het realiseren van een windpark van vier windturbines op een kortste afstand van 610 meter.

Uit een vergelijking tussen de bebouwingsmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden in het plangebied onder het inpassingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime blijkt dat appellant in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren. De verslechtering bestaat uitsluitend uit een aantasting van het agrarische karakter van het uitzicht en een afname van de situeringswaarde. Volgens de door de gemeente ingeschakelde adviseur heeft de planologische verandering, rekening houdend met een akoestische belasting door verkeerslawaai en het bedrijfsmatige en agrarische gebruik in de directe omgeving, niet geleid tot een nadeel in de vorm van geluidhinder, omdat de toename van de cumulatieve geluidsbelasting lager is dan 5 dB(A). Verder is het uitgesloten dat de windturbines slagschaduw veroorzaken ter plaatse van gevoelige objecten.

Geluidhinder
Ten aanzien van de geluidhinder stelt appellant dat de geluidsbelasting met meer dan 5 dB(A) is toegenomen en dat is uitgegaan van een onjuiste verkeersintensiteit in de oude planologische situatie. Het college heeft op de zitting aangegeven dat het niet duidelijk is waar de gehanteerde verkeersintensiteit vandaan komt en dat de toename van de geluidsbelasting mogelijk meer dan 5 dB(A) zou zijn. De Afdeling overweegt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de planologische verandering voor appellant niet tot een nadeel in de vorm van geluidhinder zou hebben geleid.

Slagschaduw
Voor wat betreft de slagschaduw stelt appellant dat vanwege het feit dat slagschaduw plaatsvindt op onbebouwde percelen aansluitend bij de woon- en werklocatie het niet zo is dat deze schadefactor nihil is en er geen nadeel is. De Afdeling overweegt dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat appellant als gevolg van de planologische wijziging geen nadeel wegens slagschaduw heeft in de vorm van hinder in het gebruik van de onbebouwde gronden van de onroerende zaak.

Normaal maatschappelijk risico
Appellant betoogt dat ten onrechte een drempel van 3 procent is toegepast, omdat de planologische ontwikkeling niet past binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Appellant heeft niet weersproken dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang past binnen de Windvisie van 12 november 2014, maar dat dit, gelet op het tijdsverloop sinds de bekendmaking ervan, ten tijde van belang nog niet het gedurende een reeks van jaren gevoerd beleid was als bedoeld in de rechtspraak. Hetzelfde geldt voor de Omgevingsverordening 2014 en de Omgevingsvisie van 2014. De Afdeling overweegt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ontwikkeling naar haar aard en omvang paste binnen het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid.

Bekijk uitspraak

Gloudemans voor het land van morgen