Gloudemans uitsprakenUitspraken

Inbrengwaarde

Op grond van afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening dient in beginsel bij elke ruimtelijke maatregel waarin bouwmogelijkheden zijn opgenomen een exploitatieplan te zijn vastgesteld. Dit is slechts anders indien het kostenverhaal ‘anderszins verzekerd is’. Ook de inbrengwaarden van de gronden worden aangemerkt als ‘kosten van exploitatie’.
Bij de grondexploitatie speelt de inbrengwaarde een dubbele rol. In de eerste plaats beïnvloedt de inbrengwaarde de verdeling van de kosten over de verschillende uitgiftepercelen. Eigenaren van onroerende zaken zullen in het algemeen streven naar een hoge inbrengwaarde voor de eigen percelen ten opzichte van andere percelen in het plangebied. Immers, bij een lage inbrengwaarde kan de eigenaar van het betreffende perceel een lager bedrag in mindering brengen op de exploitatiebijdrage. Verder wordt de hoge inbrengwaarde van de andere percelen wel omgeslagen in de kosten voor zijn perceel. Ten tweede beïnvloedt de inbrengwaarde de haalbaarheid van het totale project. Een hogere inbrengwaarde leidt tot hogere plankosten en hiermee kan de financiële uitvoerbaarheid van het project in gedrang komen.
Het is dus essentieel de inbrengwaarde op nauwkeurige wijze te bepalen, aangezien hiermee grote belangen voor de ontwikkelende overheid en de grondeigenaar gemoeid zijn. Voor een gemeente is het van belang dat de inbrengwaarde zorgvuldig wordt getaxeerd om een eventuele beroepsprocedure met succes te kunnen doorstaan. Voor een eigenaar is het van belang dat zijn inbrengwaarde voldoende hoog wordt getaxeerd ten opzichte van de overige eigenaren in het plangebied.

De belangrijkste zaken bij het waarderen van de inbrengwaarde zijn door Frederik de Bruijne en Bertold te Winkel omschreven in het boek “Leidraad inbrengwaarde (2e druk)” geschreven.

Meer informatie?
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Bertold te Winkel.
Voor meer informatie over deze uitgave verwijzen wij u naar het Instituut voor Bouwrecht.
  • 27-02-2019 / ABRS – Waterwet, onderhoud watergang, afkalving grond

    Appellant is eigenaar van een perceel van een watergang die door het waterschap wordt onderhouden met een klepelmaaier en maaikorf. Volgens appellant is de grens van zijn perceel geleidelijk verschoven waardoor 18,2 m² grond is afgekafd. Uitgaande van een grondprijs van € 330,00 per m² heeft appellant een totaalbedrag aan schade verzocht te vergoeden van € 6.006,00.Het college heeft besloten om € 660,00 te vergoeden. Anders dan verzoeker als uitgangspunt heeft genomen is de deskundige ervan uitgegaan dat de grond in de oude situatie niet mocht worden bebouwd. In de nieuwe situatie is de grond door de waterloop onbruikbaar zodat tot een vergoeding is gekomen van € 660,00.

  • 27-02-2019 / ABRS – Deskundigheid gemachtigde aanvrager

    Appellant kan zich niet verenigen met verschillende aspecten die als uitgangspunt zijn gehanteerd voor de vergoeding van de tegemoetkoming in de planschade. Zo is appellant van oordeel dat de waardevermindering geen € 24.000,00 maar € 27.720,00 dient te betreffen, hetgeen neerkomt op 6% van de oorspronkelijke waarde van de woning. De Afdeling volgt dit standpunt van appellant echter niet.

  • 27-02-2019 / ABRS – Compensatie in natura, toekomstige onzekere gebeurtenis

    In deze procedure staat vast dat appellant schade heeft geleden. Het college heeft in het besluit kenbaar gemaakt dat het voornemens is de schade in natura te compenseren. In het besluit staat opgenomen dat op 31 oktober 2018 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage moet worden gelegd. Indien het bestemmingsplan onverhoopt niet onherroepelijk in werking treedt, is het college alsnog bereid om het vastgestelde schadebedrag te betalen.

  • 20-02-2019 / ABRS – NMR en geurhinder

    De Afdeling oordeelt dat de hoogte van het normaal maatschappelijk risico door Thorbecke niet te hoog is vastgesteld. Daartoe is van belang dat de realisatie van een mestverwerkingsinstallatie tot op zekere hoogte als een normaal maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waar de omwonenden rekening mee hadden kunnen houden, omdat het normaal is dat een bedrijf technisch innoveert en er de laatste jaren veel aandacht is voor wijzen waarop de CO2-uitstoot als gevolg van onder meer de mest van vee kan worden teruggebracht en een mestverwerkingsinstallatie daar één van is. Gelet hierop acht ook de Afdeling een normaal maatschappelijk risico van 3% redelijk.

  • 20-02-2019 / ABRS – Voorzienbaarheid

    Appellant heeft verzocht om nadeelcompensatie voor waardevermindering van zijn woning in Eibergen ten gevolge van het Tracébesluit N18 Varsseveld-Enschede. De Afdeling stelt dat appellant rekening diende te houden op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling met de mogelijkheid dat het voor hem meest ongunstige alternatief in de startnotitie zou worden gerealiseerd, namelijk de realisatie van een ongelijkvloerse kruising in de nabijheid van zijn perceel. Echter, ook de voorzienbaarheid van het meest ongunstige alternatief kent haar begrenzing.

  • Veel vernieuwende pioniersprojecten op proeflocatie van start

    AgroProeftuin de Peel groeit dit jaar naar 14 praktijkproeven op de proeflocatie aan de Middenpeelweg. Op woensdag 13 februari zijn hiervoor de percelen op deze locatie uitgemeten. Marnix Bakermans, namens de regio bestuurlijk trekker van de transitie van de landbouw, sloeg het eerste piketpaaltje in de grond. Theo Pruijn van Gloudemans adviseert de gemeente Landerd bij dit project.

  • 13-02-2019 / ABRS – Compensatie in natura, toekomstige onzekere gebeurtenis

    Het perceel van appellante met een bedrijfsbestemming is bestemd tot “Groen”. Als gevolg van deze bestemmingswijziging is de waardedaling benaderd aan de hand van onder meer de uitgifteprijs. Door de SAOZ is de uitgifteprijs bepaald op € 140,00 per m². Volgens appellante is ter plaatse een uitgifteprijs van € 300,00 per m² marktconform. Daartoe zijn door appellante reeds voor de advisering ook vier referentiepercelen vermeld. Naar oordeel van de Afdeling kon niet zonder nadere motivering van een uitgifteprijs van € 140,00 worden uitgegaan.

  • Besluit van 21 januari 2019, nr. 2019000064 (Amsterdam)

    Besluit van 21 januari 2019, nr. 2019000064 tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Amsterdam krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor het verbreden en ondergronds leggen van de rijksweg A10 ter hoogte van het centrumgebied van de Zuidas en voor de reconstructie van gedeelten van de rijkswegen A2, A4 en A10 en knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel (project Zuidasdok), met bijkomende werken)

  • 06-02-2019 / ABRS – directe schade vervallen milieucategorie, NMR, proceskosten

    Appellante heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat de onder het uitbreidingsplan bestaande mogelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik in milieucategorie 4 of 5, bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is komen te vervallen en dat dit tot een vermindering van de waarde van de onroerende zaak heeft geleid.

  • 06-02-2019 / ABRS – anderszins verzekerd

    Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de aanleg van de N18. De zogenoemde directe planschade is volgens het advies van de schadecommissie door de minnelijke schikking anderszins verzekerd. De schadecommissie is op grond van de planvergelijking verder tot de conclusie gekomen dat appellant zogenoemde indirecte planschade lijdt door toegenomen geluidhinder, vermindering van de luchtkwaliteit en verslechtering van de algehele omgeving.

  • 06-02-2019 / ABRS – ondeugdelijk gemotiveerd

    Appellant is eigenaar van een woning die onderdeel is van het monumentale Fort Steurgat. Dit fort is omgebouwd tot wooneiland met daaromheen een vestinggracht. De beweerdelijk geleden schade bestaat volgens hem door de aanleg van een primaire waterkering rondom het Fort.

  • 30-01-2019 / ABRS – Nadeelcompensatie bij handhavend optreden

    Appellant exploiteerde een viskiosk op de Haagse Markt in Den Haag. Voor deze kiosk was geen vergunning verleend zodat de viskiosk in het kader van een handhavingsactie (bestuursdwang) is verwijderd. In verband met de gemaakte kosten voor de verwijdering heeft appellante een verzoek om nadeelcompensatie ingediend.

  • 30-01-2019 / ABRS – Verzilting, beoordeling causaal verband

    Appellant heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend in verband met ondervonden gewasschade. Als gevolg van de openstelling van de Katse Heule stelt appellant dat sprake is van verzilting waardoor gewasschade wordt ondervonden.

  • 30-01-2019 / ABRS – Gedeeltelijke voorzienbaarheid

    Appellant stelt schade te ondervinden als gevolg van de realisatie van de N201. In de directe nabijheid van het object is een half klaverblad mogelijk gemaakt met bijbehorende inrichting en voorzieningen. Op grond van het voorontwerp was het voorzienbaar dat een ongelijkvloerse kruising werd gerealiseerd. Aangezien daarmee niet een half klaverblad voorzienbaar was, is het college van oordeel dat de schade gedeeltelijk voorzienbaar is.

  • Besluit van 20 december 2018, nr. 2018002398 (Binnenmaas)

    Besluit van 20 december 2018, nr. 2018002398 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Binnenmaas krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van een P+R-terrein met ontsluitingsweg aan de westzijde van de provinciale weg N217 en noordzijde van de Reedijk en het bestaande busstation Heinenoord en gelegen tussen het buurtschap Blaaksedijk, de kernen Heinenoord en Mijnsheerenland en de rijksweg A29, met bijkomende werken)

Spring naar toolbar