Byte
Gloudemans uitsprakenUitspraken

ABRS 21 juni 2017, zaaknummer 201700281/1/R6 (Horst aan de Maas, bestemmingsplan “1e herziening van het bestemmingsplan De Afhang” en het exploitatieplan “6e herziening op structurele onderdelen van het exploitatieplan De Afhang”)

Bekijk uitspraak

De herziening van het bestemmingsplan zou leiden tot een verslechtering van de ontsluitingsmogelijkheden van het perceel van appellant, waardoor het uitgeefbaar percentage van zijn perceel niet meer 100% bedraagt maar minder. In dat geval zou ook de verschuldigde exploitatiebijdrage, zoals opgenomen in het exploitatieplan, met de herziening van het exploitatieplan moeten wijzigen / verminderen.
De raad en Afdeling zijn van oordeel dat de wijziging van het bestemmingsplan niet leidt tot een wijziging van de mogelijkheden op het perceel van appellant:

  • de wijziging van het moeder(bestemmings)plan heeft geen betrekking op het perceel van [appellant].
  • de omstandigheid dat [appellant] hierdoor genoodzaakt is om een gedeelte van het perceel aan te wenden voor een ontsluitingsweg, maakt dit niet anders, nu een dergelijke ontsluiting niet als openbaar gebied hoeft te dienen.

Hierdoor hoeft de exploitatiebijdrage ook niet aangepast te worden.

In dit geval leidde een wijziging / aanpassing in het bestemmingsplan niet tot een wijziging / aanpassing in het exploitatieplan. Maar telkens als het bestemmingsplan wijzigt of een voornemen tot wijziging van het bestemmingsplan wordt overwogen, dient het exploitatieplan erop nageslagen te worden. En beoordeeld te worden of de wijziging in het bestemmingsplan een wijziging van het exploitatieplan tot gevolg heeft. Nauwe samenloop van bestemmingsplan en exploitatieplan is en blijft en vereist.

Uitspraak
Het exploitatieplan 4. [appellant] betoogt, onder verwijzing naar het schaderapport, dat zijn exploitatiebijdrage ten onrechte nietmet € 62.380,00 is verlaagd. Hiertoe voert hij aan dat het bestemmingsplan leidt tot een verslechtering van de ontsluitingsmogelijkheden van zijn perceel en dat hij daardoor genoodzaakt is een ontsluitingsweg op eigen terrein aan te leggen. Hierdoor kunnen niet langer drie twee-onder-één-kapwoningen op zijn perceel worden ontwikkeld en is zijn perceel – anders dan waar de raad van is uitgegaan – niet langer 100% uitgeefbaar ten behoeve van woningbouw. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel voert [appellant] aan dat bij andere grondeigenaren ook een correctie heeft plaatsgevonden in verband met niet uitgeefbare delen van percelen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan niet leidt tot een verslechtering van deontwikkelingsmogelijkheden van het perceel van [appellant] en dat reeds daarom een correctie vanwege niet uitgeefbare gronden niet aan de orde is.

4.2. Artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) luidt: “Een exploitatieplan bevat een exploitatieopzet, bestaande uit:

1. voor zover nodig een raming van de inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor detoepassing van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de exploitatie van die gronden;
2. een raming van de andere kosten in verband met de exploitatie, waaronder een raming van de schade die op grond van artikel 6.1 voor vergoeding in aanmerking zou komen;
3. een raming van de opbrengsten van de exploitatie, alsmede de peildatum van de onder 1° tot en met 3°bedoelde ramingen;
4. een tijdvak waarbinnen de exploitatie van de gronden zal plaatsvinden;
5. voor zover nodig een fasering van de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen enbouwplannen, en zo nodig koppelingen hiertussen;
6. de wijze van toerekening van de te verhalen kosten aan de uit te geven gronden.”

4.3. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat de raad de geraamde opbrengsten voor zijnperceel ten onrechte niet heeft verlaagd, omdat zijn perceel als gevolg van de wijziging van het planologische regime voor de gronden ten noorden van zijn perceel niet langer 100% uitgeefbaar is. Die lagere opbrengsten van zijn perceel zouden vervolgens moeten doorwerken in de hoogte van de verschuldigde exploitatiebijdrage.De Afdeling oordeelt hierover als volgt. Het is vanwege de gedeeltelijke herziening van het moederplan vastgesteld en betreft een zesde herziening van het exploitatieplan oorspronkelijk “De Afhang” dat op 14 december 2010 is vastgesteld. Vast staat dat de wijziging van het moeder(bestemmings)plan geenbetrekking heeft op het perceel van [appellant]. Het betoog van [appellant] dat de wijziging van het moederplan desalniettemin een zodanige wijziging van feiten en omstandigheden met zich brengt dat de raad zijn perceel in de exploitatieopzet redelijkerwijs niet langer 100% uitgeefbaar heeft kunnen achten, volgt de Afdeling niet. De omstandigheid dat [appellant] hierdoor naar gesteld genoodzaakt is om een gedeelte van het perceel aan te wenden voor een ontsluitingsweg, maakt dit niet anders, nu een dergelijke ontsluiting niet als openbaar gebied hoeft te dienen. Bovendien was, zoals de Afdeling hiervoor al heeft overwogen onder 3.2, de voorgenomen aankoop door [appellant] van de strook grond ten noorden van zijn perceel ten tijde van het bestreden besluit slechts een onzekere toekomstige gebeurtenis, kan het perceel van [appellant] ook aan de westzijde worden ontsloten en kan [appellant] ook de gronden ten oosten van zijn perceel aankopen om daar een ontsluiting te maken naar de openbare weg. Het betoog faalt.

4.4. Over de door [appellant] gemaakte vergelijking met percelen ten aanzien waarvan de verschuldigdeexploitatiebijdrage wel is aangepast wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat die percelen, anders dan het perceel van [appellant], bestaan uit een uitgeefbaar deel en een openbaar deel, hetgeen [appellant] niet gemotiveerd heeft betwist.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raadzich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Dit betekent dat de raad de opbrengsten van hetperceel van [appellant] noch de hierop gebaseerde exploitatiebijdrage had behoeven aan te passen.

4.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant], voor zover dat is gericht tegen het exploitatieplan, ongegrond.

(ABRS 21 juni 2017, zaaknummer 201700281/1/R6 (Horst aan de Maas, bestemmingsplan “1e herziening van het bestemmingsplan De Afhang” en het exploitatieplan “6e herziening op structurele onderdelen van het exploitatieplan De Afhang”))

  • Vaststelling nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking

    Met ingang van 1 juli 2017 is de aanpassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Deze wijziging heeft als doel de Ladder zodanig te vereenvoudigen dat de in de praktijk ervaren knelpunten worden opgelost en de onderzoekslasten worden verminderd, maar dat de effectiviteit van de Ladder behouden blijft.

  • 12-07-2017 / ABRS – maximale invulling bedrijven (Bergen op Zoom)

    Een uitspraak waarin de Afdeling de motivering van de deskundige tekort vindt schieten of een categorie 4 of 5 bedrijf met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid mogelijk is.

  • 12-07-2017 / ABRS – voorbeelden maximale invulling (Heerde)

    Het is niet noodzakelijk dat voor de beoordeling van de maximale invulling van de planologische regimes de verschillende bouwmogelijkheden aan de hand van voorbeelden worden uitgewerkt. Een dergelijke beoordeling dient in abstracto plaats te vinden. Voorbeelden van bouwwerken kunnen wel nuttig zijn ter illustratie van hetgeen gerealiseerd kon of kan worden.

  • 05-07-2017 / ABRS – passieve risicoaanvaarding (Heiloo)

    Voor de effectuering van de mogelijkheid op het perceel van appellant was medewerking van derden noodzakelijk. Appellant was feitelijk noch juridisch in staat deze derden te verplichten om de onder het oude bestemmingsplan toegestane gebruik van het perceel als tuin te benutten in de zin dat zij het perceel zouden gaan gebruiken als deel van hun eigen tuin.

  • 05-07-2017 / ABRS – gezondheid, reële prognose, woz (Zuidring, Minister van Economische Zaken)

    Uitspraak in lijn met een uitspraak van 28 juni jl. (Montferland). Subjectieve elementen, zoals een negatieve gevoelswaarde bij een bestemming, spelen geen rol bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade.

  • 28-06-2017 / ABRS – voorzienbaarheid, voldoende concreet (Barneveld)

    Appellant was o.a. van mening dat in een ontwikkelingsschets niet voldoende concreet was bepaald en bepaalbaar was waar en hoe onder allerlei strenge voorwaarden een wijzigingsbevoegdheid zou worden opgenomen. Ook zou uit de schets de hoofdregel volgen dat nieuwvestiging in de zin van het creëren van een nieuw bouwperceel niet mogelijk was.

  • 28-06-2017 / ABRS – maximale invulling milieu / veiligheidsrisico (Montferland)

    Volgens appellant was onterecht geen onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s voor de omgeving door het vergroten van het bouwvlak (intensieve varkenshouderij).

  • 27-06-2017 / Rechtbank Midden-Nederland – beleving geluid (Soest)

    Eindelijk een (recente) uitspraak waarin aan de orde komt dat een toename van 2,4 dB(A) geen waarneembare toename is. De gemeente had de aanvraag dan ook terecht afgewezen.

  • ABRS 21 juni 2017, zaaknummer 201700281/1/R6 (Horst aan de Maas, bestemmingsplan “1e herziening van het bestemmingsplan De Afhang” en het exploitatieplan “6e herziening op structurele onderdelen van het exploitatieplan De Afhang”)

    De herziening van het bestemmingsplan zou leiden tot een verslechtering van de ontsluitingsmogelijkheden van het perceel van appellant, waardoor het uitgeefbaar percentage van zijn perceel niet meer 100% bedraagt maar minder. In dat geval zou ook de verschuldigde exploitatiebijdrage, zoals opgenomen in het exploitatieplan, met de herziening van het exploitatieplan moeten wijzigen / verminderen.

  • ABRS 21 juni 2017, zaaknummer 201607326/1/R6 (Weesp, bestemmings- en exploitatieplan “Bloemendalerpolder”)

    In het betoog tegen dit exploitatieplan komt naar voren dat in het exploitatieplan geen actuele ramingen voor de kosten woon- en bouwrijp maken zouden zijn opgenomen en dat niet duidelijk is welke uitgangspunten voor de ramingen zijn gehanteerd.

  • 21-06-2017 / ABRS – maximale invulling geluid bij windturbines / woz / maatschappelijk risico (Heerhugowaard)

    Naar aanleiding van een tussenuitspraak heeft het college na aanvullend advies van de deskundige besloten alsnog de aanvraag af te wijzen. Appellanten zijn met succes in hoger beroep gegaan. Met name de overweging van de Afdeling ten aanzien van de geluidsbelasting is interessant.

  • Training Lichaamstaal

    Communicatie is erg belangrijk in ons werk. Minimaal 60% hiervan bestaat uit non-verbale communicatie. Reden om onze lichaamstaal eens onder de loep te nemen.

  • 14-06-2017 / ABRS – voorzienbaarheid, geen planvergelijking (Zwijndrecht)

    Dit is een voorbeeld van een casus waarin de deskundige afwijst op grond van voorzienbaarheid zonder eerst een planvergelijking te doen. Overigens is dit ten overvloede nog wel gebeurd, maar dit is verder niet relevant.

  • 14-06-2017 / ABRS – planvergelijking, ontbreken verklaring aanduiding in regels (Zwijndrecht)

    Eindelijk eens een recente uitspraak hoe om te gaan met de situatie dat een aanduiding op de plankaart niet wordt verklaard in de regels.

  • 14-06-2017 / ABRS – taxatie, onderbouwing, marktwaarde (Aalsmeer)

    Het getroffen object betrof een bedrijfswoning. De taxateur gaf aan dat de taxatie tot stand is gekomen via de zogenoemde vergelijkingsmethode, waarbij hij opmerkt dat hij geen vergelijkbare objecten heeft kunnen vinden, omdat bedrijfswoningen in beginsel niet zelfstandig kunnen worden verkocht.