Gloudemans uitsprakenUitspraken

ABRS 20 december 2017, zaaknummer 201701103/1/R3 (Kampen, bestemmingsplan “Uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden”)

Bekijk uitspraak

Wederom een uitspraak (en geen vernieuwende) ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid van een vastgesteld bestemmingsplan, maar wel een uitspraak met een enigszins verfrissende / verruimende kijk op de verplichting tot vaststelling van een exploitatieplan.

De gemeente had, ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, namelijk niet alle gronden in eigendom. De gemeente had voor deze “ontbrekende” eigendommen in het bestemmingsplangebied wel een koopovereenkomst gesloten, waarin was opgenomen dat de levering van de eigendommen binnen 3 weken na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan plaats zou vinden. Ik ken deze koopovereenkomst niet inhoudelijk, maar ik veronderstel dat deze koopovereenkomst geen (andere) ontbindende voorwaarden heeft waardoor de gemeente of de verkoper “onder deze koopovereenkomst uit kan”. Dan is deze koopovereenkomst volgens mij aan te merken als een “anterieure” overeenkomst, waarmee het kostenverhaal anderszins verzekerd is en had de gemeente dus geen verplichting tot vaststelling van een exploitatieplan (artikel 6.12 lid 2 onder a Wro). Wat dat betreft prima en juist geredeneerd.

De beleidsafweging om dan toch een exploitatieplan vast te stellen, voor de omstandigheid dat onverhoopt de gronden niet aan de gemeente worden geleverd of het kostenverhaal niet anderszins verzekerd blijkt te zijn, komt wellicht niet veel voor. In de meeste, zo niet alle, situaties is in de gesloten overeenkomst, een koop- of exploitatieovereenkomst, afdoende geregeld dat de derde partij niet “zomaar onder de overeenkomst uit kan”. Dan is er niets aan de hand en blijft het kostenverhaal van de gemeente verzekerd.

Het verdient volgens mij wel aanbeveling om de gesloten overeenkomst(en) te checken en de vraag aan de opsteller van de overeenkomst(en) te stellen of het kostenverhaal van de gemeente in de toekomst verzekerd blijft. Anders is het kostenverhaal uiteindelijk niet anderszins verzekerd en kan er publiekrechtelijk ook geen kostenverhaal (via een exploitatieplan) meer plaatsvinden. Het bestemmingsplan is vastgesteld / onherroepelijk geworden en een vaststelling van een exploitatieplan kan dan niet meer, tenzij er sprake gaat zijn van een (nieuw) aangewezen bouwplan of nieuw planologisch besluit / bestemmingsplan, waarin nieuw aangewezen bouwplannen mogelijk worden gemaakt. Dan is er een nieuwe grondslag om publiekrechtelijk kostenverhaal te kunnen doen. Maar als dat niet aan de orde is of gaat zijn, dan is het aan de vrijwilligheid van de grondeigenaar (of de opvolger van de grondeigenaar) of hij / zij een privaatrechtelijke koop- of exploitatieovereenkomst met de gemeente wil sluiten. Dat zou nog best wel eens nadelige financiële gevolgen voor de gemeente kunnen hebben, dus kies het zekere voor het onzekere en beoordeel de gesloten overeenkomst op de “toekomstwaarde”! Ook geredeneerd vanuit de (on)mogelijkheden van het publiekrechtelijk kostenverhaal …

Uitspraak
Financiële uitvoerbaarheid

17. [appellant sub 5] en anderen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende zeker is en voeren aan dat de raad de financiële uitvoerbaarheid van het plan noch in de plantoelichting, noch in de overige stukken inzichtelijk heeft gemaakt, terwijl dit wel van belang is in het kader van vergoeding van planschade en de kosten van schaduwschade.

[appellant sub 5] en anderen voeren aan dat de gemeente ten tijde van de vaststelling van het plan geen eigenaar was van de gronden in het plangebied. Evenmin waren er exploitatieovereenkomsten gesloten met de eigenaren van gronden in het plangebied of een vastgesteld exploitatieplan. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat weliswaar dat de gemeente ernaar streeft de desbetreffende gronden in bezit te hebben bij de vaststelling van het plan, maar [appellant sub 5] en anderen achten dit onvoldoende.

17.1. De raad stelt dat hij eigenaar is van het grootste deel van de gronden in het plangebied. Voor enkele percelen waarvan de gemeente nog geen eigenaar was, is op 9 november 2016 een koopovereenkomst gesloten. De levering van deze gronden zal plaatsvinden binnen drie weken na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Na de levering zal de gemeente de exploitatiekosten via de grondprijs verhalen. De raad stelt voorts dat een planschaderisicoanalyse is opgesteld, waarvan de uitkomsten zijn meegenomen in de uitvoerbaarheidstoets.

17.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

17.3. De Afdeling stelt vast dat de raad eigenaar is van het grootste deel van de gronden in het plangebied. De Afdeling ziet gelet op de overgelegde afschriften van de koopovereenkomsten geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de raad dat de gemeente na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan alle uit te geven gronden in het plangebied in eigendom heeft. De exploitatiekosten zullen worden verhaald via de uitgifteprijs van de grond. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd over eventuele planschade of schaduwschade geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat dit aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

(ABRS 20 december 2017, zaaknummer 201701103/1/R3 (Kampen, bestemmingsplan “Uitbreiding bedrijventerrein Spoorlanden”))

  • Oirschot, pachtgrond nabij Koningshof – bij inschrijving

    Bij inschrijving wordt in pacht aangeboden het perceel cultuurgrond, gelegen nabij Koningshof te Oirschot.

    De inschrijving eindigt op 21 februari 2019 om 12.00 uur.

  • Individuele beoordeling door CBb in fosfaatrechtzaken

    Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft vandaag uitspraak gedaan in een aantal zaken over fosfaatrechten. Het gaat om beroepen van melkveehouders tegen de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) op grond van de Meststoffenwet vastgestelde fosfaatrechten. Per 1 januari 2018 geldt het fosfaatrechtenstelsel. De minister kent fosfaatrechten toe op basis van, onder andere, het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden. Het is verboden in een kalenderjaar meer fosfaat met melkvee te produceren dan het toegekende fosfaatrecht.

  • Herontwikkeling kazerneterreinen Ede in tijdschrift Monumentaal

    Voor de gemeente Ede zijn wij betrokken bij de herontwikkeling van de kazerneterreinen in Ede. In 2011 nam de gemeente de voormalige kazerneterreinen over van defensie. De kazerneterreinen worden ontwikkeld naar een nieuw stadsdeel grenzend aan de Veluwe. Het wordt een plek voor wonen, werken en recreëren. Naast de nieuwbouw zijn er ook rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of karakteristieke panden.

  • Faciliteren van gebiedsontwikkelingen: hoe moet dat?

    Waar moet je op letten als je een gebiedsontwikkeling wil faciliteren en wat hebben markt en overheid van elkaar nodig? Met die vragen in het achterhoofd organiseerden Gloudemans en Urban Reality gezamenlijk op 15 november 2018 een kennissessie in ‘De Verdraagzaamheid’ in Zaltbommel.

  • 21-11-2018 / ABRS – Windturbine en gebruikelijke marges bij taxaties

    Appellant heeft een aanvraag om tegemoetkoming in de planschade ingediend als gevolg van de komst van windturbines.

  • 21-11-2018 / ABRS – Nauwkeurige bepaling toename bouwmassa

    Appellant stelt schade te hebben geleden als gevolg van onder meer een toename van de bouwmassa. In het advies van de SAOZ staat niet het aantal vierkante meters opgenomen waarmee de bouwmogelijkheden zijn uitgebreid. In het advies is opgenomen dat de nadelen voor appellant bestaan uit enige extra aantasting van het uitzicht en enige extra schaduwhinder en zonlichtvermindering.

  • 21-11-2018 / ABRS – na-ijlen omzetderving

    In verband met de reconstructie van de rondweg heeft de exploitant van een tankstation een verzoek om nadeelcompensatie ingediend. De SAOZ hanteert een na-ijlperiode van drie maanden na beeïndiging van de werkzaamheden waarin nog rekening wordt gehouden met omzetdaling.

  • Het taxatieproces binnen Gloudemans succesvol geoptimaliseerd

    Afgelopen jaar heeft een team binnen Gloudemans, begeleid door iValue Improvement, gewerkt aan het verbeteren van het taxatieproces. Aanleiding hiervan was het proces zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de regelgeving en praktijkhandleidingen van het NRVT, maar ook zeker om de groeiende vraag aan te kunnen met de huidige personele bezetting. Uiteindelijk moesten deze veranderingen bijdragen aan de doelstelling van Gloudemans om een hoge kwaliteit te leveren die voldoet aan de wensen van de klanten van Gloudemans.

  • 14-11-2018 / ABRS – Primaire advies of second opinion en compensatie in natura

    Appellant is eigenaar van een perceel dat in het buitengebied van Valkenswaard is gelegen. De gemeente heeft een bestemmingsplan vastgesteld waardoor de agrarische bestemming met bouwmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf komt te vervallen en onder het nieuwe regime voornamelijk een bestemming voor natuur en waterberging heeft gekregen. In eerste instantie heeft het college om een advies gevraagd aan de SAOZ.

  • 14-11-2018 / ABRS – Hoogspanningsmast, magneetveldzone en gezondheidsrisico

    Appellant is eigenaar van een appartement en stelt schade te hebben ondervonden als gevolg van de planologische basis voor het realiseren van een combinatiehoogspanningslijn. De Afdeling heeft de StAB verzocht in deze zaak te adviseren. De StAB stelt dat het appartement onder de maximale mogelijkheden niet binnen de magneetveldzone van 0,4 microtesla komt te liggen. Daartoe stelt de StAB dat het voorzorgbeginsel als een juridische beperking van de maximale planologische mogelijkheden moet worden aangemerkt. De Afdeling gaat daar niet in mee.

  • Besluit van 5 oktober 2018, nr. 2018001774

    Besluit van 5 oktober 2018, nr. 2018001774 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Lelystad krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van een verbindingsweg vanaf het eerste deel Anthony Fokkerweg tot de nieuwe aansluiting op de rijksweg A6, alsmede voor de aanleg van deze halve aansluiting op de rijksweg A6, ter hoogte van de Lage Dwarsvaart, met bijkomende werken)

  • 07-11-2018 / ABRS – Passieve risicoaanvaarding, benuttingstermijn

    Appellant heeft een bestaande agrarische onderneming die bestaande kassen exploiteert. Direct naast de bestaande kassen bestond de mogelijkheid om het bestaande complex uit te breiden. Deze mogelijkheid is wegbestemd. Niet ter discussie staat dat uit het gepubliceerde structuurplan voorzienbaarheid kan worden aangenomen. Ter discussie staat de vraag of de periode van elf maanden tussen het structuurplan en het ontwerpbestemmingsplan voldoende is om de bouwmogelijkheden te benutten.

  • 07-11-2018 / ABRS – Kosten voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand

    Appellant heeft zich bij de planschadeprocedure vóór het primaire besluit laten bijstaan door een gemachtigde en wenst een vergoeding voor de gemaakte kosten. Het college heeft besloten dat de opgevoerde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens het college volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat deskundigenkosten in de aanvraagfase alleen voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van een deskundige redelijk is. Dit is volgens het college hier niet het geval, omdat de deskundige die appellant heeft verzocht advies uit te brengen, niet onpartijdig is. Die deskundige treedt namelijk ook als gemachtigde van appellant op.

  • 31-10-2018 / ABRS – Ruimtelijk relevant gevolg

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de leegstand van het pand van appellant a en b (ingericht als supermarkt) niet als een ruimtelijk gevolg van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan Veldwijk Noord – Winkelcentrum kan worden aangemerkt. Het bestemmingsplan maakt onder meer op een afstand van ongeveer 500 meter van het pand van appellant a en b detailhandel met een maximaal bruto vloeroppervlak van 3.000 m2 mogelijk.

  • 31-10-2018 / ABRS – Passieve risicoaanvaarding ondanks bezit bouwvergunning

    Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college passieve risicoaanvaarding aan haar mocht tegenwerpen omdat zij gedurende de benuttingsperiode geen aanvraag om omgevingsvergunning voor het benutten van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het pand bij de gemeente heeft ingediend. Daartoe voert zij aan dat zij ten tijde van de benuttingsperiode in het bezit was van een onherroepelijke bouwvergunning voor onder meer het verbouwen van de verdiepingen van het pand tot appartementen.

Spring naar toolbar