Gloudemans uitsprakenUitspraken

13-06-2018 / ABRS – NMR inbreidingslocatie

Bekijk uitspraak

Appellant betreft de derdebelanghebbende en initiatiefnemer van de bouw van een vrijstaande woning waarvoor belanghebbende een verzoek tot tegemoetkoming in planschade heeft ingediend. Appellant is van mening dat de planologische verandering in de lijn der verwachting lag en dat de schade geheel binnen het normaal maatschappelijk risico valt. De Afdeling overweegt als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in een uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4668), is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

In dit geval gaat het om inbreiding met een nieuw te bouwen vrijstaande woning in de lintbebouwing van een bestaande woonkern. Zoals de Afdeling onder meer bij uitspraak van 9 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2828) heeft overwogen, is inbreiding in beginsel een normaal maatschappelijke ontwikkeling, die zich voordoet in veel centra van steden en dorpen in Nederland. Dat betekent echter nog niet dat de planologische ontwikkeling in het plangebied ook in de lijn der verwachtingen lag. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3851).

De ruimtelijke structuur van de omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door vrijstaande woningen. De planologische ontwikkeling past derhalve naar haar aard binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. De maximale bouwhoogte van de nieuwbouwwoning in het plangebied is niet hoger dan die van de vrijstaande woningen in de omgeving. Dat het plangebied onder het nieuwe planologische regime een bouwvlak heeft met een dubbel zo grote oppervlakte als dat van de vrijstaande woningen in de omgeving, betekent niet dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de planologische ontwikkeling naar haar omvang niet binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. In dit verband is van belang dat de oppervlakte van het plangebied groot genoeg is voor twee bouwvlakken voor vrijstaande woningen met de in de omgeving gebruikelijke oppervlakte. Dat het, zoals de rechtbank eveneens heeft overwogen, op grond van de bij het oude bestemmingsplan behorende planregels niet was toegestaan om een perceel te splitsen ten behoeve van nieuwbouw, doet daaraan niet af. Bij het vaststellen van de omvang van het normaal maatschappelijk risico gaat het immers om de vraag of een ontwikkeling in de ruimtelijke structuur van de omgeving past en niet om de vraag of deze ontwikkeling in juridische zin was toegestaan.

Niet in geschil is dat inbreiding ten tijde van belang gedurende een periode van vele jaren het uitgangspunt van het gemeentelijke woningbouwbeleid was. In dat beleid is niet vastgesteld dat dit uitgangspunt niet van toepassing is, indien inbreiding slechts door middel van splitsing van een bouwperceel is te realiseren en die splitsing, gelet op de planregels, in juridische zin niet is toegestaan. Derhalve is dit uitgangspunt van toepassing en bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de planologische ontwikkeling niet in het gevoerde ruimtelijke beleid past. Dat, zoals de rechtbank voorts heeft overwogen, het plangebied onder het oude planologische regime feitelijk als tuin was ingericht en niet als toekomstige inbreidingslocatie herkenbaar was, is – wat daarvan ook zij – in dit verband niet van belang.

Uit het vorenstaande volgt dat de planologische ontwikkeling in dit geval gedurende een ruime periode in de lijn der verwachtingen lag. Dit betekent op zichzelf echter nog niet dat de gevolgen van de ontwikkeling geheel onder het normaal maatschappelijk risico vallen. In dit verband komt tevens betekenis toe aan het antwoord op de vraag of de schade onevenredig is in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak. Dit zijn verschillende aspecten die bij de beoordeling van het normaal maatschappelijk risico worden betrokken en elkaar niet uitsluiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2009).

Bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normaal maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw op een inbreidingslocatie in een woonkern, waarbij die woningbouw ook in de lijn der verwachtingen lag, is een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie gevallen in beginsel tot het normaal maatschappelijk risico van de aanvrager behoort. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:530).

Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat in zijn geval een uitzondering op dit uitgangspunt wordt gemaakt. Omdat de schade die belanghebbende als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan heeft geleden, niet uitstijgt boven vijf procent van de waarde van de woning onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, heeft het college die schade ten onrechte niet geheel voor zijn rekening gelaten.

(13-06-2018 / ABRS – NMR inbreidingslocatie)

  • 27-02-2019 / ABRS – Waterwet, onderhoud watergang, afkalving grond

    Appellant is eigenaar van een perceel van een watergang die door het waterschap wordt onderhouden met een klepelmaaier en maaikorf. Volgens appellant is de grens van zijn perceel geleidelijk verschoven waardoor 18,2 m² grond is afgekafd. Uitgaande van een grondprijs van € 330,00 per m² heeft appellant een totaalbedrag aan schade verzocht te vergoeden van € 6.006,00.Het college heeft besloten om € 660,00 te vergoeden. Anders dan verzoeker als uitgangspunt heeft genomen is de deskundige ervan uitgegaan dat de grond in de oude situatie niet mocht worden bebouwd. In de nieuwe situatie is de grond door de waterloop onbruikbaar zodat tot een vergoeding is gekomen van € 660,00.

  • 27-02-2019 / ABRS – Deskundigheid gemachtigde aanvrager

    Appellant kan zich niet verenigen met verschillende aspecten die als uitgangspunt zijn gehanteerd voor de vergoeding van de tegemoetkoming in de planschade. Zo is appellant van oordeel dat de waardevermindering geen € 24.000,00 maar € 27.720,00 dient te betreffen, hetgeen neerkomt op 6% van de oorspronkelijke waarde van de woning. De Afdeling volgt dit standpunt van appellant echter niet.

  • 27-02-2019 / ABRS – Compensatie in natura, toekomstige onzekere gebeurtenis

    In deze procedure staat vast dat appellant schade heeft geleden. Het college heeft in het besluit kenbaar gemaakt dat het voornemens is de schade in natura te compenseren. In het besluit staat opgenomen dat op 31 oktober 2018 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage moet worden gelegd. Indien het bestemmingsplan onverhoopt niet onherroepelijk in werking treedt, is het college alsnog bereid om het vastgestelde schadebedrag te betalen.

  • 20-02-2019 / ABRS – NMR en geurhinder

    De Afdeling oordeelt dat de hoogte van het normaal maatschappelijk risico door Thorbecke niet te hoog is vastgesteld. Daartoe is van belang dat de realisatie van een mestverwerkingsinstallatie tot op zekere hoogte als een normaal maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waar de omwonenden rekening mee hadden kunnen houden, omdat het normaal is dat een bedrijf technisch innoveert en er de laatste jaren veel aandacht is voor wijzen waarop de CO2-uitstoot als gevolg van onder meer de mest van vee kan worden teruggebracht en een mestverwerkingsinstallatie daar één van is. Gelet hierop acht ook de Afdeling een normaal maatschappelijk risico van 3% redelijk.

  • 20-02-2019 / ABRS – Voorzienbaarheid

    Appellant heeft verzocht om nadeelcompensatie voor waardevermindering van zijn woning in Eibergen ten gevolge van het Tracébesluit N18 Varsseveld-Enschede. De Afdeling stelt dat appellant rekening diende te houden op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling met de mogelijkheid dat het voor hem meest ongunstige alternatief in de startnotitie zou worden gerealiseerd, namelijk de realisatie van een ongelijkvloerse kruising in de nabijheid van zijn perceel. Echter, ook de voorzienbaarheid van het meest ongunstige alternatief kent haar begrenzing.

  • Veel vernieuwende pioniersprojecten op proeflocatie van start

    AgroProeftuin de Peel groeit dit jaar naar 14 praktijkproeven op de proeflocatie aan de Middenpeelweg. Op woensdag 13 februari zijn hiervoor de percelen op deze locatie uitgemeten. Marnix Bakermans, namens de regio bestuurlijk trekker van de transitie van de landbouw, sloeg het eerste piketpaaltje in de grond. Theo Pruijn van Gloudemans adviseert de gemeente Landerd bij dit project.

  • 13-02-2019 / ABRS – Compensatie in natura, toekomstige onzekere gebeurtenis

    Het perceel van appellante met een bedrijfsbestemming is bestemd tot “Groen”. Als gevolg van deze bestemmingswijziging is de waardedaling benaderd aan de hand van onder meer de uitgifteprijs. Door de SAOZ is de uitgifteprijs bepaald op € 140,00 per m². Volgens appellante is ter plaatse een uitgifteprijs van € 300,00 per m² marktconform. Daartoe zijn door appellante reeds voor de advisering ook vier referentiepercelen vermeld. Naar oordeel van de Afdeling kon niet zonder nadere motivering van een uitgifteprijs van € 140,00 worden uitgegaan.

  • Besluit van 21 januari 2019, nr. 2019000064 (Amsterdam)

    Besluit van 21 januari 2019, nr. 2019000064 tot aanwijzing van een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Amsterdam krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor het verbreden en ondergronds leggen van de rijksweg A10 ter hoogte van het centrumgebied van de Zuidas en voor de reconstructie van gedeelten van de rijkswegen A2, A4 en A10 en knooppunten De Nieuwe Meer en Amstel (project Zuidasdok), met bijkomende werken)

  • 06-02-2019 / ABRS – directe schade vervallen milieucategorie, NMR, proceskosten

    Appellante heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat de onder het uitbreidingsplan bestaande mogelijkheid voor bedrijfsmatig gebruik in milieucategorie 4 of 5, bij de inwerkingtreding van het bestemmingsplan is komen te vervallen en dat dit tot een vermindering van de waarde van de onroerende zaak heeft geleid.

  • 06-02-2019 / ABRS – anderszins verzekerd

    Appellant heeft verzocht om vergoeding van schade ten gevolge van de aanleg van de N18. De zogenoemde directe planschade is volgens het advies van de schadecommissie door de minnelijke schikking anderszins verzekerd. De schadecommissie is op grond van de planvergelijking verder tot de conclusie gekomen dat appellant zogenoemde indirecte planschade lijdt door toegenomen geluidhinder, vermindering van de luchtkwaliteit en verslechtering van de algehele omgeving.

  • 06-02-2019 / ABRS – ondeugdelijk gemotiveerd

    Appellant is eigenaar van een woning die onderdeel is van het monumentale Fort Steurgat. Dit fort is omgebouwd tot wooneiland met daaromheen een vestinggracht. De beweerdelijk geleden schade bestaat volgens hem door de aanleg van een primaire waterkering rondom het Fort.

  • 30-01-2019 / ABRS – Nadeelcompensatie bij handhavend optreden

    Appellant exploiteerde een viskiosk op de Haagse Markt in Den Haag. Voor deze kiosk was geen vergunning verleend zodat de viskiosk in het kader van een handhavingsactie (bestuursdwang) is verwijderd. In verband met de gemaakte kosten voor de verwijdering heeft appellante een verzoek om nadeelcompensatie ingediend.

  • 30-01-2019 / ABRS – Verzilting, beoordeling causaal verband

    Appellant heeft een verzoek om nadeelcompensatie ingediend in verband met ondervonden gewasschade. Als gevolg van de openstelling van de Katse Heule stelt appellant dat sprake is van verzilting waardoor gewasschade wordt ondervonden.

  • 30-01-2019 / ABRS – Gedeeltelijke voorzienbaarheid

    Appellant stelt schade te ondervinden als gevolg van de realisatie van de N201. In de directe nabijheid van het object is een half klaverblad mogelijk gemaakt met bijbehorende inrichting en voorzieningen. Op grond van het voorontwerp was het voorzienbaar dat een ongelijkvloerse kruising werd gerealiseerd. Aangezien daarmee niet een half klaverblad voorzienbaar was, is het college van oordeel dat de schade gedeeltelijk voorzienbaar is.

  • Besluit van 20 december 2018, nr. 2018002398 (Binnenmaas)

    Besluit van 20 december 2018, nr. 2018002398 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Binnenmaas krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van een P+R-terrein met ontsluitingsweg aan de westzijde van de provinciale weg N217 en noordzijde van de Reedijk en het bestaande busstation Heinenoord en gelegen tussen het buurtschap Blaaksedijk, de kernen Heinenoord en Mijnsheerenland en de rijksweg A29, met bijkomende werken)

Spring naar toolbar