Byte
Gloudemans uitsprakenUitspraken

11-04-2018 / ABRS – directe planschade in natura gecompenseerd met restschade

Bekijk uitspraak

Appellante is eigenaar van een bedrijventerrein en houdt zich bezig met de productie van kunststof verpakkingen. Appellante heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2006, omdat door dit plan de gebruiks- en bouwmogelijkheden op het bedrijventerrein beperkt zijn ten opzichte van de voorheen geldende bestemmingsplannen. Volgens appellante konden voorheen bedrijven in milieucategorieën 1 tot en met 5 van de lijst van instellingen op het bedrijventerrein worden gevestigd, terwijl op grond van het bestemmingsplan 2006 alleen nog bedrijven in milieucategorieën 1 en 2 en, voor bestaande bedrijvigheid, categorie 3, zijn toegestaan. Daarnaast kon volgens appellante voorheen per bedrijf een bedrijfswoning worden opgericht en is dat door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2006 niet meer mogelijk. Het college heeft voor het op het verzoek te nemen besluit advies gevraagd aan de SAOZ.

De Afdeling heeft, in geconstateerde gebreken in besluiten, aanleiding gezien de StAB in te schakelen en verzocht te bepalen of de door appellante als gevolg van het bestemmingsplan 2006 geleden planschade door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2014 volledig is gecompenseerd. Indien dat niet het geval is, dient de waarde van het perceel van appellante onder de planologische regimes onder haar verantwoordelijkheid door een onafhankelijke taxateur te worden vastgesteld. Een vergelijking dient te worden gemaakt van de waardevermindering van de percelen op de datum van inwerkingtreding van bestemmingsplan 2006 (hierna: peildatum 1) en de waardevermeerdering van die percelen op de datum van inwerkingtreding van bestemmingsplan 2014 (hierna: peildatum 2). De door de StAB ingeschakelde taxateur (hierna: Smeenk) heeft de waardedaling van de percelen op peildatum 1 op € 1.100.000,00 getaxeerd. De waardestijging op peildatum 2 heeft hij op € 530.000,00 begroot. Dit betekent dat een schadebedrag van € 570.000,00 resteert, zodat de geleden planschade met het bestemmingsplan 2014 niet volledig is gecompenseerd, aldus de StAB.

Uit het taxatierapport van Smeenk blijkt dat hij bij de waardering van de gronden van appellante de specifieke locatie van die gronden heeft betrokken, evenals de mogelijkheden die de daarop gelegen opstallen bieden voor bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop komt Smeenk tot de conclusie dat die gronden hun hoogste waarde ontlenen aan de mogelijkheid van milieucategorie 4 en/of 5. In dat kader heeft hij uiteengezet dat het huidige gebruik van de gronden van appellante gelet op de aard en inrichting daarvan het meest optimale gebruik is. Alternatieve gebruiksmogelijkheden zijn gelet op de bouwkundige staat voornamelijk te zoeken in logistieke dienstverlening, (groot)handelsbedrijven en de industriële productieprocessen, waarbij voor met name de laatste categorie geldt dat in veel gevallen een locatie noodzakelijk is waar bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 4 en 5 zijn toegestaan. Volgens Smeenk zijn dergelijke locaties in Nederland schaars, zodat locaties waar die milieucategorieën gelden al snel interessant zijn voor overeenkomstige ondernemingen. Daarnaast is voor zwaardere industrieën een perifere ligging eerder acceptabel als gevolg van schaarste aan hiervoor bestemde bedrijventerreinen, aldus Smeenk. Voor de lichtere milieucategorieën is er daarentegen in Nederland ruim voldoende aanbod aan bedrijfslocaties en -panden, en kiezen bedrijven volgens hem eerder voor een bedrijventerrein dat in stedelijk gebied ligt of eraan grenst.

Smeenk heeft aldus de Afdeling inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de gronden van appellante hun hoogste waarde ontlenen aan de mogelijkheid van milieucategorie 4 en/of 5. Daarbij heeft hij voorts gekeken naar de specifieke ligging en mogelijkheden van die gronden zelf. Dat de SAOZ een andere mening is toegedaan, is onvoldoende om de conclusies van Smeenk in zoverre onjuist te achten, zo stelt de Afdeling. Dit geldt temeer nu onduidelijk is waar de SAOZ haar in het advies neergelegde stelling op baseert dat de vraag naar gronden in de zwaardere milieucategorieën (categorie 4.1 en hoger van de VNG-indeling) beduidend kleiner is dan de vraag naar gronden ten behoeve van bedrijvigheid in milieucategorie 3.2, dat bedrijfscomplexen in hogere milieucategorieën in het algemeen een omvangrijker oppervlak nodig hebben dan bedrijfscomplexen in lagere milieucategorieën, hetgeen de opbrengst per m² nadelig kan beïnvloeden, en dat de mogelijkheid om gronden in kleinere delen te verkopen aan bedrijven in lagere milieucategorieën doorgaans een hogere opbrengst per m² oplevert dan bij de verkoop van één groot terrein aan een bedrijf in milieucategorie 4.1 of hoger. Ook in een nader advies wordt deze algemeen geformuleerde stelling niet nader onderbouwd. Gelet hierop heeft de StAB zich ook in zoverre mogen baseren op het taxatierapport van Smeenk.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag de bestuursrechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Hetgeen naar aanleiding van het verslag van de StAB is aangevoerd, rechtvaardigt naar het oordeel van de Afdeling niet de conclusie dat het verslag van de StAB, waaronder ook het taxatierapport van Smeenk valt, gebreken bevat. Dit betekent dat de Afdeling de conclusie van de StAB, dat de door appellante als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2006 geleden planschade niet volledig is gecompenseerd met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2014 en dat de restschade van appellante € 570.000,00 bedraagt, volgt.

(11-04-2018 / ABRS – directe planschade in natura gecompenseerd met restschade)

  • Privacyverklaring (AVG)

    Per 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Lees hier de privacyverklaring van Gloudemans.

  • 23-05-2018 / ABRS – Voorbereidingsbesluit, schaduwschade

    Appellant heeft verzocht om vergoeding van planschade als gevolg van een voorbereidingsbesluit. Volgens appellant bieden de redelijkheid en billijkheid een grondslag voor het vergoeden van schaduwschade. De Afdeling gaat hier niet in mee.

  • 23-05-2018 / ABRS – Vergunningvrij bouwen

    Appellant voert aan dat het plangebied in de nieuwe situatie een woonbestemming heeft, waardoor de mogelijkheid is gecreëerd om vergunningvrij bebouwing op de gronden van het plangebied op te richten, terwijl dat zonder de planologische verandering, gelet op de bestemming van het plangebied in de oude situatie, niet mogelijk was. De Afdeling overweegt dat de mogelijkheid om vergunningvrij bebouwing op de gronden van het plangebied op te richten, terwijl dat zonder de planologische verandering, gelet op de bestemming van het plangebied in de oude situatie, niet mogelijk was, terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

  • 16-05-2018 / ABRS – Passieve en actieve risicoaanvaarding

    Het risico op verwezenlijking van planologisch nadeel wordt geacht passief te zijn aanvaard als er voorzienbaarheid is en indien geen concrete pogingen zijn gedaan tot realisering van de bouw- en gebruiksmogelijkheden die onder het nieuwe planologische regime zijn komen te vervallen, terwijl dit van een redelijk denkende en handelende eigenaar, vanaf de peildatum voor voorzienbaarheid, kon worden verlangd.

  • 09-05-2018 / ABRS – Passieve risicoaanvaarding, redelijke poging kon niet worden verlangd

    Appellant stelt schade te hebben geleden als gevolg van het vervallen van bouwmogelijkheden. In de procedure bij de Afdeling staat niet ter discussie dat de planologische verandering voorzienbaar was en dat appellant geen concrete pogingen heeft ondernomen. Appellant betoogt echter dat van haar in redelijkheid niet kon worden verlangd dat zij dergelijke pogingen zou ondernemen, omdat het perceel niet meer kon worden ontsloten. De Afdeling stelt vast dat het perceel wel degelijk kon worden ontsloten zodat van appellant kon worden verlangd om concrete pogingen te ondernemen om de bouwmogelijkheden te benutten.

  • 09-05-2018 / ABRS – Compensatie in natura aan rechtsopvolger

    Met de vaststelling van een bestemmingsplan zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden voor B.V. A wegbestemd. BV A heeft het perceel aan BV B geleverd. Voorts is de aanspraak op planschadevergoeding bij overeenkomst eveneens aan BV B overgedragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schade met het terug bestemmen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden in natura is gecompenseerd. Appellant is het daar niet mee eens omdat de schade niet aan de juiste rechtspersoon is gecompenseerd, omdat de oorspronkelijke aanvrager om vergoeding van planschade geen eigenaar meer is van het perceel.

  • 09-05-2018 / ABRS – Actieve risicoaanvaarding en onderzoeksplicht

    Appellant is eigenaar van een reclamemast in de gemeente Zaandam. Het college van B&W van de gemeente Zaandam heeft een omgevingsvergunning verleend voor de realisering van een geluidsscherm. Door het geluidsscherm wordt het zicht op de reclamemast vanaf de A7 belemmerd waarvoor appellant een aanvraag om planschade heeft ingediend.

  • 25-04-2018 / ABRS – Passieve risicoaanvaarding

    Appellanten zijn eigenaar dan wel erfpachter van kadastrale percelen alwaar bebouwing aanwezig is in de vorm van bedrijfsruimtes en woningen. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of appellanten het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op hun percelen zouden vervallen passief hebben aanvaard en daarom de beweerdelijk geleden planschade voor hun rekening blijft.

  • 18-04-2018 / ABRS – Aanvulling aanvraag verjaard

    Appellante heeft in 2006 een aanvraag om planschade ingediend. In die aanvraag heeft appellant alleen gesteld vermogensschade te hebben geleden als gevolg van de waardedaling van zijn bedrijf. Appellant heeft eerst in augustus 2014 gesteld dat hij ook inkomensschade heeft geleden als gevolg van de bestemmingsplanwijziging.

  • 12-04-2018 / Rb Midden-Nederland – compensatie in natura onvoldoende waarborgen

    Eisers hebben een aanvraag om tegemoetkoming in de schade ingediend als gevolg van een bestemmingsplan dat de agrarische onderneming van eisers op slot zet. Met het bestemmingsplan heeft de raad van de gemeente Lelystad uitvoering gegeven aan besluiten van het rijk over de uitbreiding van Lelystad Airport. Het college wenst de schade in natura te compenseren door de agrarische bedrijfsvoering in een nieuw bestemmingsplan weer mogelijk te maken.

  • 11-04-2018 / ABRS – directe planschade in natura gecompenseerd met restschade

    Appellante is eigenaar van een bedrijventerrein en houdt zich bezig met de productie van kunststof verpakkingen. Appellante heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2006, omdat door dit plan de gebruiks- en bouwmogelijkheden op het bedrijventerrein beperkt zijn ten opzichte van de voorheen geldende bestemmingsplannen.

  • Besluit van 14 februari 2018, nr. 2018000262 (Pekela)

    Besluit van 14 februari 2018, nr. 2018000262 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Pekela krachtens artikel 72a van de Onteigeningswet (onteigening voor de verbreding van de N366 tussen Alteveer en Stadskanaal, met bijkomende werken)

  • 30-03-2018 / RB Rotterdam – terecht afwijken van referentieperiode van 3 jaar + ontbreken causaal verband

    Eiseres heeft verzocht om nadeelcompensatie voor de schade die zij stelt te hebben geleden ten gevolge van de invoering van een nieuw parkeersysteem. Eiseres exploiteert een Aziatische supermarkt. Eiseres stelt omzetschade te hebben geleden door de problematiek m.b.t. tot het nieuwe parkeersysteem.

  • Besluit van 14 februari 2018, nr. 2018000297 (Zutphen en Brummen)

    Besluit van 14 februari 2018, nr. 2018000297 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Zutphen en Brummen krachtens artikel 78 van de Onteigeningswet (onteigeningsplan N345 Rondweg De Hoven/Zutphen)

  • 28-03-2018 / ABRS – voorzienbaarheid en gelijkheidsbeginsel NMR

    In onderhavige, opmerkelijke uitspraak is onder andere de voorzienbaarheid aan de orde.

Spring naar toolbar